Zeldzaam erfelijk syndroom

Basaalcelnaevussyndroom

Het basaalcelnaevussyndroom (BCNS), ook wel het syndroom van Gorlin genoemd, is een zeldzame, erfelijke aandoening. Twee kenmerken springen eruit: keratocysten in de kaak en basaalcelcarcinomen van de huid. Omdat de kaakcysten vaak het éérste teken zijn, speelt juist de tandarts een sleutelrol in het vroeg herkennen ervan.

±1:31.000Geschatte prevalentie
PTCH1/ SUFU — betrokken genen
44–92%Krijgt keratocysten in de kaak

Wat is het?

Eén erfelijke aanleg, vele uitingen

Het basaalcelnaevussyndroom — voluit nevoïd basaalcelcarcinoomsyndroom (NBCCS) — is een zeldzame, autosomaal dominante aandoening. "Autosomaal dominant" betekent dat één ouder met de aanleg de aandoening kan doorgeven, en dat één gewijzigd gen al voldoende is om er kenmerken van te krijgen.

Het syndroom raakt meerdere orgaanstelsels — vooral de huid, het skelet, de kaken en het zenuwstelsel — en de ernst verschilt sterk van persoon tot persoon. De namen verwijzen naar de twee opvallendste kenmerken: talrijke basaalcelcarcinomen (een vorm van huidkanker) en naevi (moedervlekachtige huidafwijkingen), naast de karakteristieke odontogene keratocysten in de kaak.

Genetische achtergrond

De rol van PTCH1 en SUFU

Het syndroom wordt veroorzaakt door een verandering (mutatie) in een tumorsuppressorgen — meestal PTCH1 (op chromosoom 9), soms SUFU. Deze genen horen het celdeling-"rempedaal" te vormen. Ongeveer 40% van de gevallen ontstaat door een nieuwe (spontane) mutatie, zonder dat een ouder het syndroom heeft.

Het "second hit"-mechanisme

Bij iemand met BCNS is in álle cellen al één kopie van het tumorsuppressorgen gewijzigd (de erfelijke "kiembaanmutatie"). Er is daardoor nog maar één extra beschadiging ("second hit") in de tweede kopie nodig om een tumor zoals een basaalcelcarcinoom te laten ontstaan.

Dat verklaart waarom mensen met dit syndroom op jongere leeftijd én in groteren getale basaalcelcarcinomen ontwikkelen dan gemiddeld — en waarom het beperken van extra DNA-schade (zon, straling) zo belangrijk is.

Kenmerken

Een breed scala aan uitingen

Het beeld is heel divers. Niet iedereen heeft alle kenmerken, maar dit zijn de meest voorkomende:

Keratocysten in de kaak

Odontogene keratocysten (OKC), vaak meervoudig — een van de meest constante en vroege kenmerken.

Basaalcelcarcinomen

Meerdere huidkankertjes, vaak al op jonge leeftijd, vooral op zonblootgestelde huid.

Pits in handen/voeten

Kleine putjes (pits) in de huid van handpalmen en voetzolen.

Verkalking falx cerebri

Vroege verkalking van een vlies in de hersenen, zichtbaar op beeldvorming.

Skelet- & ribafwijkingen

Bijvoorbeeld afwijkende ribben en andere skeletkenmerken.

Typisch gelaat

Macrocefalie (grote hoofdomtrek), een breed voorhoofd en wijd uiteenstaande ogen.

Veel zeldzamere kenmerken kunnen voorkomen, waaronder aangeboren afwijkingen (zoals een gespleten lip/verhemelte), oogafwijkingen, en — zeldzaam — bepaalde tumoren. De grote variatie maakt herkenning lastig, en juist daarom tellen de kenmerken die wél makkelijk opvallen, zoals de kaakcysten.

Diagnostiek

Hoe wordt de diagnose gesteld?

De diagnose berust op een combinatie van klinische kenmerken — verdeeld in major- en minorcriteria — en zo mogelijk een bevestigde genetische mutatie. Hieronder een selectie van de criteria.

Major-criteria

zwaarwegend

  • Meer dan 2 basaalcelcarcinomen, of één op jonge leeftijd (< 20 jaar)
  • Een odontogene keratocyste in de kaak
  • 3 of meer pits in handpalmen/voetzolen
  • Verkalking van de falx cerebri (op jonge leeftijd)
  • Karakteristieke ribafwijkingen
  • Een eerstegraads familielid met BCNS

Minor-criteria

ondersteunend

  • Macrocefalie (grote hoofdomtrek)
  • Aangeboren afwijkingen (o.a. gespleten lip/verhemelte, voorhoofdsbult, oogafwijkingen)
  • Diverse skeletafwijkingen
  • Radiologische afwijkingen
  • Ovarium- of hartfibromen
  • Medulloblastoom (een hersentumor)

Wanneer luidt de diagnose BCNS?

De diagnose wordt doorgaans gesteld bij 1 major-criterium mét een bevestigde genmutatie, óf bij 2 major-criteria, óf bij 1 major- en 2 minor-criteria. Genetisch onderzoek (DNA-diagnostiek) speelt een bevestigende rol; verwijzing naar een klinisch geneticus is daarbij aangewezen.

Rol van de tandarts

De keratocyste als eerste spoor

Voor de mondzorg is dit syndroom extra relevant, omdat de odontogene keratocysten vaak het eerste en meest opvallende teken zijn — soms nog voordat er huidafwijkingen zijn. Ze worden gemiddeld rond de leeftijd van ongeveer dertien jaar ontdekt, groeien vaak tijdens de puberteit, en zitten relatief vaak in de bovenkaak.

Deze cysten kunnen een zwelling in het gezicht geven, pijn veroorzaken of tanden en kiezen doen verschuiven, met kauwproblemen tot gevolg. Heel zelden ontstaat uit zo'n cyste een tumor (ameloblastoom). Doordat ze vaak op de tandheelkundige röntgenfoto opvallen, is de tandarts niet zelden de eerste die het spoor naar dit syndroom oppikt.

Lees meer over deze cysten zelf op de pagina Kaakcysten. Belangrijk: meerdere of jong optredende keratocysten zijn een reden om aan het syndroom van Gorlin te denken en breder te kijken.

Begeleiding

Multidisciplinaire zorg & voorzichtigheid met straling

Er bestaat geen behandeling die de aanleg wegneemt; de zorg richt zich op het vroeg opsporen en behandelen van de uitingen, en op controle door verschillende specialisten samen (dermatoloog, MKA-chirurg, klinisch geneticus en anderen).

De kaakcystenKeratocysten worden chirurgisch behandeld door de MKA-chirurg, met langdurige controle vanwege de kans op terugkeer.
De huidBasaalcelcarcinomen worden tijdig behandeld; goede zonbescherming en het vermijden van verbranden zijn essentieel.
Genetische begeleidingDNA-diagnostiek en advies via de klinisch geneticus, ook voor familieleden die mogelijk drager zijn.
Periodieke controleRegelmatig nakijken van huid, kaken en — op indicatie — andere organen, volgens een leeftijdsgebonden schema.

Wees terughoudend met röntgenstraling. Mensen met BCNS zijn gevoeliger voor straling: UVB- én röntgenstraling kunnen bij hen makkelijker basaalcelcarcinomen uitlokken. De richtlijn adviseert om bij twijfel aanvullend radiologisch onderzoek zoveel mogelijk te vermijden (zeker zonder behandelconsequentie) en in plaats daarvan laagdrempelig DNA-diagnostiek in te zetten. Meld dit syndroom daarom altijd vóór een röntgenfoto.

Richtlijn

Onderbouwing & expertisecentrum

Richtlijn

Voor het basaalcelnaevussyndroom bestaat een Nederlandse multidisciplinaire richtlijn (Verkouteren et al., 2022) met leeftijdsgebonden adviezen voor de zorg en controle van patiënten — en van mensen bij wie het syndroom wordt vermoed of die een ouder met BCNS hebben. Het Maastricht UMC+ fungeert als expertisecentrum voor deze zeldzame aandoening.

Kernpunten voor de praktijk: denk bij meerdere of jonge keratocysten aan dit syndroom, wees terughoudend met straling bij (verdenking op) BCNS, en zet bij twijfel laagdrempelig DNA-diagnostiek in via de klinisch geneticus. Tandartsen kunnen, door alert te zijn op de kaakcysten, een belangrijke rol spelen in vroege herkenning.

De rode draad: herken vroeg, beperk extra DNA-schade, en werk multidisciplinair samen. Meer over KIMO →

Zie ook

Verwante onderwerpen

  • Kaakcysten — de odontogene keratocyste is het centrale tandheelkundige kenmerk van dit syndroom.
  • Mondkanker — over kwaadaardige afwijkingen in het mondgebied en het belang van vroege herkenning.
  • Tandartsopleiding — over de MKA-chirurg, die de kaakcysten behandelt.
ℹ️ Let op: Deze pagina is uitsluitend bedoeld voor educatieve doeleinden en vervangt geen professioneel medisch of tandheelkundig advies, diagnose of behandeling. Bij (een vermoeden van) het basaalcelnaevussyndroom — bijvoorbeeld door meerdere of jong optredende kaakcysten — is verwijzing naar een tandarts/MKA-chirurg, dermatoloog en klinisch geneticus aangewezen.
Gebaseerd op de Nederlandse multidisciplinaire richtlijn Basaalcelnaevussyndroom (Verkouteren et al., 2022; Richtlijnendatabase) en algemeen toegankelijke medische bronnen. Het Maastricht UMC+ is het expertisecentrum voor BCNS.