Basiskennis
De vier vormen van niet-carieuze tandslijtage
Tandslijtage die niet door bacteriën (cariës) wordt veroorzaakt, valt onder de noemer niet-carieuze tandslijtage (NCTS), ook wel gebitsslijtage genoemd. Er zijn vier hoofdvormen die in de praktijk vaak tegelijk optreden — een juiste diagnose vraagt onderscheid.
Erosie
Chemisch · zuren
Verlies van tandweefsel door zuren, zonder bacteriële betrokkenheid. Zuren komen van buiten (extrinsiek: voeding, dranken) of van binnen (intrinsiek: maagzuur bij reflux of braken). Het glazuur lost letterlijk op.
Attritie
Mechanisch · tand-op-tand
Slijtage door direct contact tussen tanden onderling, zonder extern schuurmiddel. Wordt sterk versneld door bruxisme (knarsen/klemmen). Vlakke, glanzende facetten zijn kenmerkend.
Abrasie
Mechanisch · extern middel
Slijtage door een hard middel dat over de tand beweegt. Klassiek: te hard poetsen met een harde borstel en schurende tandpasta. Geeft V-vormige uithollingen aan de tandhals.
Abfractie
Biomechanisch · flexie
Verlies aan de tandhals door buigkrachten bij excentrische belasting, met wigvormige inkepingen tot gevolg. Het exacte mechanisme is in de literatuur nog omstreden.
In de praktijk komen deze vormen vrijwel altijd gecombineerd voor: iemand met bruxisme heeft attritie, terwijl het zure milieu na frisdrank de erosie van dezelfde vlakken versnelt. De KIMO-richtlijn benadrukt daarom een multifactorieel denkkader.
Erosie in detail
Hoe werkt tanderosie?
Glazuur begint te demineraliseren bij een pH onder de 5,5 (de kritische pH voor hydroxyapatiet). Dentine is nog gevoeliger en lost al op vanaf pH 6,5. Zodra zuur het tandoppervlak raakt, valt het kristalrooster uiteen — een onomkeerbaar proces. Speeksel neutraliseert zuren weer in ongeveer 20–60 minuten, maar bij frequent zuurcontact is er simpelweg geen tijd voor herstel.
Kritische grens: glazuur lost op onder pH 5,5, dentine al onder pH 6,5. Ter vergelijking: cola en energiedrank zitten rond pH 2,4–3,3 — ruim onder die grens.
Extrinsieke versus intrinsieke zuren
De richtlijn onderscheidt twee bronnen van erosieve zuren.
Extrinsiek — van buiten het lichaam
Frisdrank & energiedrank
Cola, energiedrank, sportdrank. Combinatie van fosfor- en citroenzuur. Ernstig erosief bij dagelijks gebruik.
pH 2,4–3,3Vruchtensap & citrus
Sinaasappel-, grapefruitsap, citroen. Citroenzuur is bijzonder erosief — "gezond maar riskant" bij overmatig gebruik.
pH 2,0–4,0Wijn & cider
Witte wijn en cider zijn sterk erosief door wijn-, appel- en citroenzuur. Rode wijn iets minder, maar nog steeds schadelijk.
pH 3,0–4,5Azijn & zure voeding
Azijnzuur in dressings en augurken. Zure snoepjes zijn extra riskant door hoge concentratie én lang contact.
pH 2,5–3,5Bruiswater & kombucha
Koolzuur is mild erosief; gearomatiseerd bruiswater bevat extra zuren. Kombucha komt door fermentatie soms onder pH 3,5.
pH 3,5–5,5Vitaminesupplementen
Bruistabletten met vitamine C (ascorbinezuur) zijn sterk erosief bij dagelijks gebruik en lang in de mond houden.
pH 2,7–3,5Intrinsiek — van binnen het lichaam
Reflux (GORZ)
Maagzuur bereikt de mondholte, vaak onopgemerkt ("stille reflux"). Erosie aan de binnenzijde van de boventanden is kenmerkend. Verwijzing naar de MDL-arts is dan aangewezen.
Maagzuur pH 1,0–2,0Chronisch braken
Bij eetstoornissen, zwangerschapsmisselijkheid of alcoholmisbruik. Herhaald maagzuurcontact geeft snel progressieve erosie aan de binnenzijde van de boventanden.
Maagzuur pH 1,0–2,0Erosie door reflux of een eetstoornis vraagt om samenwerking met arts of behandelaar. Dit is een gevoelig onderwerp; een tandarts kan vaak als eerste signalen opmerken en bespreekbaar maken.
Attritie & Bruxisme
Tand-op-tand slijtage en de rol van bruxisme
Een beetje attritie door occlusaal contact is normaal en hoort bij ouder worden. Pathologische attritie overschrijdt de leeftijdsnorm fors en wijst vrijwel altijd op bruxisme: parafunctioneel knarsen of klemmen.
😬 Bruxisme als slijtage-versneller
Bij normaal kauwen bedragen de krachten zo'n 150–200 N, en dat maar enkele minuten per dag. Bij bruxisme kunnen ze oplopen tot 700–900 N gedurende uren per nacht — met navenant snelle slijtage.
Bruxisme verbindt deze pagina met TMD-klachten (kaakgewricht en kauwspieren) en met cracks — dezelfde overbelasting, andere uitingsvorm.
Lokalisatie
Waar op de tand treedt slijtage op?
De plaats van de slijtage is diagnostisch belangrijk: het patroon verraadt de oorzaak. Daarom hoort vlakanalyse bij een systematische slijtagediagnose.
Binnenzijde boven (palatinaal)
Slijtage aan de binnenkant van de boventanden. Vrijwel kenmerkend voor intrinsieke erosie (reflux, braken).
Erosie — intrinsiekKauwvlak (occlusaal)
Slijtage van knobbels en groeven. Combinatie van erosie en attritie; vlakke glanzende facetten wijzen op bruxisme.
Erosie + AttritieSnijrand
Verkorting en afvlakking van de fronttanden. Vroeg zichtbaar bij attritie door bruxisme.
Attritie — bruxismeBuitenzijde (buccaal)
Slijtage aan de buitenkant, typisch voor extrinsieke erosie door frisdrank of vruchtensap.
Erosie — extrinsiekTandhals (cervicaal)
Wigvormige inkepingen aan de hals, een combinatie van abrasie (poetsen) en abfractie. Vaak gevoelig dentine.
Abrasie + AbfractieTussen de tanden
Erosie tussen de tanden door zure dranken. Klinisch lastig te zien; vaak alleen op röntgen.
Erosie — extrinsiekHerkennen
Hoe herken je erosie en attritie?
Progressie
Van glazuurverlies tot ernstige schade
Beginstadium — demineralisatie
Oppervlakkig glazuurverlies. De zijdeglans verdwijnt, het oppervlak wordt mat. Nog geen klachten; alleen zichtbaar voor het getrainde oog.
Vroeg stadium — glazuurverlies
Meer dan een derde van het glazuur verloren. Lichte verkleuring en mogelijke gevoeligheid. Herstel via remineralisatie is niet meer mogelijk.
Matig stadium — dentine bloot
Het dentine ligt bloot. De tand wordt gevoelig en geler; op kiezen verschijnen cupula's, snijranden worden transparant.
Ernstig stadium — pulparisico
Uitgebreide dentineblootstelling, ernstige gevoeligheid en verkorting van alle tanden. De beet kan "inzakken". Restauratie wordt complex.
Eindstadium — pulpa of tandverlies
Tanden afgebrokkeld tot bij het tandvlees. De zenuw kan blootkomen, met pijn en infectierisico. Uitgebreide rehabilitatie of extractie nodig.
Classificatie
TWES 2.0 — het KIMO-classificatiesysteem
De KIMO-richtlijn 'Gebitsslijtage van blijvende elementen' (2025) geeft de voorkeur aan het Tooth Wear Evaluation System (TWES 2.0) voor screening, diagnostiek en monitoring, vanwege de volledigheid én eenvoud. Het systeem doet drie dingen: het kwantificeert de ernst en spreiding (graad per sextant), het kwalificeert de aard (chemisch vs. mechanisch), en het helpt fysiologische van pathologische slijtage te onderscheiden.
| Graad | Kwantificatie (per sextant, ernstigste element) |
|---|---|
| 0 | Geen (zichtbare) gebitsslijtage |
| 1 | Slijtage binnen het glazuur, geen dentine zichtbaar |
| 2 | Slijtage met dentine zichtbaar; beperkt verlies van kroonhoogte (< ⅓) |
| 3 | Fors verlies van kroonhoogte (⅓ – ⅔) met uitgebreide dentine-expositie |
| 4 | Extreem verlies (> ⅔ kroonhoogte); vaak functiebedreigend |
De diagnose wordt geformuleerd als een samenvattende omschrijving, bijvoorbeeld: "lokale, milde (graad 1) gebitsslijtage, voornamelijk mechanisch van aard" of "gegeneraliseerde matige (graad 2) met lokaal extreme (graad 4) functiebedreigende slijtage, zowel chemisch als mechanisch".
Kernbegrip — functiebedreigende gebitsslijtage: vastgestelde slijtage in combinatie met klachten zoals gevoeligheid/pijn, verminderde esthetiek of functieverlies. Pas dán komt restauratieve behandeling in beeld; daarvóór ligt de nadruk op preventie en monitoring.
Let op de term BEWE. De internationaal bekende Basic Erosive Wear Examination (BEWE) is een veelgebruikte index die je elders nog vaak tegenkomt, maar de actuele KIMO-richtlijn kiest nadrukkelijk voor TWES 2.0 als voorkeurssysteem.
Diagnose
Hoe stelt de tandarts de diagnose?
Behandeling
Behandelen: eerst de oorzaak, dan herstel
De KIMO-richtlijn legt de nadruk op het zoveel mogelijk voorkómen of uitstellen van restauratieve behandeling. Begin daarom altijd bij de oorzaak en preventie; restauratie volgt pas bij functiebedreigende slijtage.
Monitoring & preventie
Verdere slijtage voorkomen
Volgens de richtlijn wordt vastgestelde slijtage in principe elke 2–3 jaar gemonitord (of eerder bij twijfel), met aandacht voor beïnvloedbare risicofactoren en de ingezette preventie. Wat je zelf kunt doen:
- Beperk frisdrank, sport- en energiedrankjes en vruchtensap — maak water de standaard.
- Drink zure dranken via een rietje, zodat ze minder met je tanden in contact komen.
- Spoel direct na zuurcontact met water; poets niet meteen.
- Wacht 30–60 minuten met poetsen na zuurcontact — het glazuur is dan tijdelijk verzacht.
- Kauw suikervrije kauwgom na de maaltijd: dat stimuleert speeksel en buffering.
- Gebruik dagelijks fluoridehoudende tandpasta; poets zacht, niet hard.
- Meld reflux, frequente misselijkheid of zuurbranden bij je tandarts.
- Laat bruxisme tijdig behandelen met een splint, vóór er uitgebreide slijtage is.
- Ga naar je periodieke controle, zodat slijtage vroeg wordt opgespoord en gevolgd.
Glazuur groeit nooit meer terug. Eenmaal verloren glazuur herstelt niet biologisch — voorkomen is daarom letterlijk beter dan genezen.
Richtlijn
De KIMO-richtlijn Gebitsslijtage
Sinds juni 2025 is de klinische praktijkrichtlijn 'Gebitsslijtage van blijvende elementen' onderdeel van de professionele standaard. Het doel: de zorg rond gebitsslijtage verbeteren, over- én onderdiagnostiek beperken, klachten verminderen en restauratieve behandeling zoveel mogelijk voorkómen of uitstellen.
De richtlijn kiest het TWES 2.0 als voorkeurssysteem voor screening, diagnostiek en monitoring, en zet het begrip functiebedreigende gebitsslijtage centraal: restauratie pas wanneer slijtage met klachten of functieverlies gepaard gaat. Blootstelling aan zuur wordt gezien als de belangrijkste risicofactor, naast speeksel- en mechanische factoren.
De richtlijn richt zich op tandartsen, mondhygiënisten en orthodontisten — en daarmee indirect op iedereen met een blijvend gebit. Meer over KIMO →
Zie ook
Gerelateerde onderwerpen
- Cracks & gebarsten tanden — overbelasting en bruxisme uiten zich ook als barsten.
- Temporomandibulaire disfunctie (TMD) — kaakklachten die met knarsen samenhangen.
- Cariës — de andere grote bedreiging van het gebit, mét bacteriën.
- Hyposalivatie — een droge mond versnelt slijtage doordat speeksel niet meer buffert.