Tandslijtage

Tanderosie & Attritie

Tanderosie en attritie zijn vormen van niet-carieuze tandslijtage waarbij glazuur en dentine geleidelijk verloren gaan. Erosie ontstaat door zuren, attritie door mechanische slijtage. Zeker in combinatie kunnen ze leiden tot gevoeligheid, esthetische klachten en — onbehandeld — fors tandverlies. En verloren glazuur groeit nooit meer terug.

4 Vormen van tandslijtage
pH 5,5 Grens waaronder glazuur oplost
TWES 2.0 KIMO-classificatiesysteem

Basiskennis

De vier vormen van niet-carieuze tandslijtage

Tandslijtage die niet door bacteriën (cariës) wordt veroorzaakt, valt onder de noemer niet-carieuze tandslijtage (NCTS), ook wel gebitsslijtage genoemd. Er zijn vier hoofdvormen die in de praktijk vaak tegelijk optreden — een juiste diagnose vraagt onderscheid.

Erosie

Chemisch · zuren

Verlies van tandweefsel door zuren, zonder bacteriële betrokkenheid. Zuren komen van buiten (extrinsiek: voeding, dranken) of van binnen (intrinsiek: maagzuur bij reflux of braken). Het glazuur lost letterlijk op.

Attritie

Mechanisch · tand-op-tand

Slijtage door direct contact tussen tanden onderling, zonder extern schuurmiddel. Wordt sterk versneld door bruxisme (knarsen/klemmen). Vlakke, glanzende facetten zijn kenmerkend.

Abrasie

Mechanisch · extern middel

Slijtage door een hard middel dat over de tand beweegt. Klassiek: te hard poetsen met een harde borstel en schurende tandpasta. Geeft V-vormige uithollingen aan de tandhals.

Abfractie

Biomechanisch · flexie

Verlies aan de tandhals door buigkrachten bij excentrische belasting, met wigvormige inkepingen tot gevolg. Het exacte mechanisme is in de literatuur nog omstreden.

In de praktijk komen deze vormen vrijwel altijd gecombineerd voor: iemand met bruxisme heeft attritie, terwijl het zure milieu na frisdrank de erosie van dezelfde vlakken versnelt. De KIMO-richtlijn benadrukt daarom een multifactorieel denkkader.

Erosie in detail

Hoe werkt tanderosie?

Glazuur begint te demineraliseren bij een pH onder de 5,5 (de kritische pH voor hydroxyapatiet). Dentine is nog gevoeliger en lost al op vanaf pH 6,5. Zodra zuur het tandoppervlak raakt, valt het kristalrooster uiteen — een onomkeerbaar proces. Speeksel neutraliseert zuren weer in ongeveer 20–60 minuten, maar bij frequent zuurcontact is er simpelweg geen tijd voor herstel.

pH 02345678+

Kritische grens: glazuur lost op onder pH 5,5, dentine al onder pH 6,5. Ter vergelijking: cola en energiedrank zitten rond pH 2,4–3,3 — ruim onder die grens.

Extrinsieke versus intrinsieke zuren

De richtlijn onderscheidt twee bronnen van erosieve zuren.

Extrinsiek — van buiten het lichaam

Frisdrank & energiedrank

Cola, energiedrank, sportdrank. Combinatie van fosfor- en citroenzuur. Ernstig erosief bij dagelijks gebruik.

pH 2,4–3,3

Vruchtensap & citrus

Sinaasappel-, grapefruitsap, citroen. Citroenzuur is bijzonder erosief — "gezond maar riskant" bij overmatig gebruik.

pH 2,0–4,0

Wijn & cider

Witte wijn en cider zijn sterk erosief door wijn-, appel- en citroenzuur. Rode wijn iets minder, maar nog steeds schadelijk.

pH 3,0–4,5

Azijn & zure voeding

Azijnzuur in dressings en augurken. Zure snoepjes zijn extra riskant door hoge concentratie én lang contact.

pH 2,5–3,5

Bruiswater & kombucha

Koolzuur is mild erosief; gearomatiseerd bruiswater bevat extra zuren. Kombucha komt door fermentatie soms onder pH 3,5.

pH 3,5–5,5

Vitaminesupplementen

Bruistabletten met vitamine C (ascorbinezuur) zijn sterk erosief bij dagelijks gebruik en lang in de mond houden.

pH 2,7–3,5

Intrinsiek — van binnen het lichaam

Reflux (GORZ)

Maagzuur bereikt de mondholte, vaak onopgemerkt ("stille reflux"). Erosie aan de binnenzijde van de boventanden is kenmerkend. Verwijzing naar de MDL-arts is dan aangewezen.

Maagzuur pH 1,0–2,0

Chronisch braken

Bij eetstoornissen, zwangerschapsmisselijkheid of alcoholmisbruik. Herhaald maagzuurcontact geeft snel progressieve erosie aan de binnenzijde van de boventanden.

Maagzuur pH 1,0–2,0

Erosie door reflux of een eetstoornis vraagt om samenwerking met arts of behandelaar. Dit is een gevoelig onderwerp; een tandarts kan vaak als eerste signalen opmerken en bespreekbaar maken.

Attritie & Bruxisme

Tand-op-tand slijtage en de rol van bruxisme

Een beetje attritie door occlusaal contact is normaal en hoort bij ouder worden. Pathologische attritie overschrijdt de leeftijdsnorm fors en wijst vrijwel altijd op bruxisme: parafunctioneel knarsen of klemmen.

😬 Bruxisme als slijtage-versneller

Bij normaal kauwen bedragen de krachten zo'n 150–200 N, en dat maar enkele minuten per dag. Bij bruxisme kunnen ze oplopen tot 700–900 N gedurende uren per nacht — met navenant snelle slijtage.

Vlakke, glanzende facetten op knobbels en snijranden
Symmetrische, in elkaar passende slijtage boven en onder
Slijtage ook aan de binnenzijde van de boventanden
Verdikte kauwspier (hypertrofie m. masseter), brede kaak
Hoofdpijn bij ontwaken, kaakpijn, vermoeide kaakspieren
Tandgevoeligheid door blootliggend dentine
Botverdikkingen (torus) in onder- of bovenkaak
Indrukken op de tongrand of bijtplekken in de wang

Bruxisme verbindt deze pagina met TMD-klachten (kaakgewricht en kauwspieren) en met cracks — dezelfde overbelasting, andere uitingsvorm.

Lokalisatie

Waar op de tand treedt slijtage op?

De plaats van de slijtage is diagnostisch belangrijk: het patroon verraadt de oorzaak. Daarom hoort vlakanalyse bij een systematische slijtagediagnose.

Binnenzijde boven (palatinaal)

Slijtage aan de binnenkant van de boventanden. Vrijwel kenmerkend voor intrinsieke erosie (reflux, braken).

Erosie — intrinsiek

Kauwvlak (occlusaal)

Slijtage van knobbels en groeven. Combinatie van erosie en attritie; vlakke glanzende facetten wijzen op bruxisme.

Erosie + Attritie

Snijrand

Verkorting en afvlakking van de fronttanden. Vroeg zichtbaar bij attritie door bruxisme.

Attritie — bruxisme

Buitenzijde (buccaal)

Slijtage aan de buitenkant, typisch voor extrinsieke erosie door frisdrank of vruchtensap.

Erosie — extrinsiek

Tandhals (cervicaal)

Wigvormige inkepingen aan de hals, een combinatie van abrasie (poetsen) en abfractie. Vaak gevoelig dentine.

Abrasie + Abfractie

Tussen de tanden

Erosie tussen de tanden door zure dranken. Klinisch lastig te zien; vaak alleen op röntgen.

Erosie — extrinsiek

Herkennen

Hoe herken je erosie en attritie?

Gevoelige tanden Reactie op koud, warm, zuur of zoet door blootliggend dentine.
Kortere tanden Fronttanden die afvlakken of niet meer goed op elkaar passen.
Glanzende facetten Vlakke, glimmende slijtvlakjes op kauwvlakken of snijranden (attritie).
Geel-oranje kleur Het donkerder dentine schemert door het dunner wordende glazuur.
Holtes in knobbels "Cupula's": kuiltjes in de knobbels van kiezen — een typisch erosiepatroon.
Uitstekende vullingen Het tandweefsel eromheen slijt, de vulling niet — die steekt dan uit.

Progressie

Van glazuurverlies tot ernstige schade

Beginstadium — demineralisatie

Oppervlakkig glazuurverlies. De zijdeglans verdwijnt, het oppervlak wordt mat. Nog geen klachten; alleen zichtbaar voor het getrainde oog.

Vroeg stadium — glazuurverlies

Meer dan een derde van het glazuur verloren. Lichte verkleuring en mogelijke gevoeligheid. Herstel via remineralisatie is niet meer mogelijk.

Matig stadium — dentine bloot

Het dentine ligt bloot. De tand wordt gevoelig en geler; op kiezen verschijnen cupula's, snijranden worden transparant.

Ernstig stadium — pulparisico

Uitgebreide dentineblootstelling, ernstige gevoeligheid en verkorting van alle tanden. De beet kan "inzakken". Restauratie wordt complex.

Eindstadium — pulpa of tandverlies

Tanden afgebrokkeld tot bij het tandvlees. De zenuw kan blootkomen, met pijn en infectierisico. Uitgebreide rehabilitatie of extractie nodig.

Classificatie

TWES 2.0 — het KIMO-classificatiesysteem

De KIMO-richtlijn 'Gebitsslijtage van blijvende elementen' (2025) geeft de voorkeur aan het Tooth Wear Evaluation System (TWES 2.0) voor screening, diagnostiek en monitoring, vanwege de volledigheid én eenvoud. Het systeem doet drie dingen: het kwantificeert de ernst en spreiding (graad per sextant), het kwalificeert de aard (chemisch vs. mechanisch), en het helpt fysiologische van pathologische slijtage te onderscheiden.

GraadKwantificatie (per sextant, ernstigste element)
0Geen (zichtbare) gebitsslijtage
1Slijtage binnen het glazuur, geen dentine zichtbaar
2Slijtage met dentine zichtbaar; beperkt verlies van kroonhoogte (< ⅓)
3Fors verlies van kroonhoogte (⅓ – ⅔) met uitgebreide dentine-expositie
4Extreem verlies (> ⅔ kroonhoogte); vaak functiebedreigend

De diagnose wordt geformuleerd als een samenvattende omschrijving, bijvoorbeeld: "lokale, milde (graad 1) gebitsslijtage, voornamelijk mechanisch van aard" of "gegeneraliseerde matige (graad 2) met lokaal extreme (graad 4) functiebedreigende slijtage, zowel chemisch als mechanisch".

Kernbegrip — functiebedreigende gebitsslijtage: vastgestelde slijtage in combinatie met klachten zoals gevoeligheid/pijn, verminderde esthetiek of functieverlies. Pas dán komt restauratieve behandeling in beeld; daarvóór ligt de nadruk op preventie en monitoring.

Let op de term BEWE. De internationaal bekende Basic Erosive Wear Examination (BEWE) is een veelgebruikte index die je elders nog vaak tegenkomt, maar de actuele KIMO-richtlijn kiest nadrukkelijk voor TWES 2.0 als voorkeurssysteem.

Diagnose

Hoe stelt de tandarts de diagnose?

Anamnese: eet-, drink- en poetsgewoonten, reflux, braken, medicatie en stress
Gebitsinspectie: slijtvlakken lokaliseren en het patroon herkennen
TWES 2.0: kwantificatie (graad per sextant) en kwalificatie (chemisch/mechanisch)
Beoordelen of er sprake is van functiebedreigende slijtage
Foto's en/of scans als nulmeting voor latere vergelijking
Gipsmodellen of intraorale scan voor follow-up
Verwijzing naar MDL-arts bij verdenking op reflux of een eetstoornis
Aandacht voor bruxisme en beïnvloedbare risicofactoren

Behandeling

Behandelen: eerst de oorzaak, dan herstel

De KIMO-richtlijn legt de nadruk op het zoveel mogelijk voorkómen of uitstellen van restauratieve behandeling. Begin daarom altijd bij de oorzaak en preventie; restauratie volgt pas bij functiebedreigende slijtage.

Elimineer de oorzaakDe belangrijkste stap. Beperk zure dranken tot de maaltijd, drink via een rietje, spoel met water na zuurcontact en wacht 30–60 min met poetsen. Behandel reflux (eventueel medicamenteus) en begeleid eetstoornissen multidisciplinair.
Remineralisatie & fluorideFluoride (gel, lak of tandpasta) verlaagt de oplosbaarheid van het glazuur en beschermt blootliggend dentine. Producten met calcium-fosfaat (CPP-ACP) kunnen de oppervlaktelaag helpen herstellen.
Opbeetplaat bij bruxismeEen op maat gemaakte splint beschermt de tanden 's nachts tegen knarskrachten. Het stopt verdere slijtage maar herstelt geen verloren weefsel. Aanvullend: ontspanning en stressreductie.
Directe composietrestauratiesBij functiebedreigende slijtage worden slijtvlakken opgebouwd met composiet — relatief weefselsparend en omkeerbaar ten opzichte van kronen.
Indirecte restauratiesBij ernstig verlies van kroonhoogte: keramische overlays, veneers of kronen. Een volledige rehabilitatie is complexe, specialistische tandheelkunde.
Multidisciplinaire aanpakBij intrinsieke erosie samenwerking met MDL-arts, diëtist of psycholoog; bij ernstig bruxisme met een (kaak)fysiotherapeut of slaapgeneeskundige.

Monitoring & preventie

Verdere slijtage voorkomen

Volgens de richtlijn wordt vastgestelde slijtage in principe elke 2–3 jaar gemonitord (of eerder bij twijfel), met aandacht voor beïnvloedbare risicofactoren en de ingezette preventie. Wat je zelf kunt doen:

  • Beperk frisdrank, sport- en energiedrankjes en vruchtensap — maak water de standaard.
  • Drink zure dranken via een rietje, zodat ze minder met je tanden in contact komen.
  • Spoel direct na zuurcontact met water; poets niet meteen.
  • Wacht 30–60 minuten met poetsen na zuurcontact — het glazuur is dan tijdelijk verzacht.
  • Kauw suikervrije kauwgom na de maaltijd: dat stimuleert speeksel en buffering.
  • Gebruik dagelijks fluoridehoudende tandpasta; poets zacht, niet hard.
  • Meld reflux, frequente misselijkheid of zuurbranden bij je tandarts.
  • Laat bruxisme tijdig behandelen met een splint, vóór er uitgebreide slijtage is.
  • Ga naar je periodieke controle, zodat slijtage vroeg wordt opgespoord en gevolgd.

Glazuur groeit nooit meer terug. Eenmaal verloren glazuur herstelt niet biologisch — voorkomen is daarom letterlijk beter dan genezen.

Richtlijn

De KIMO-richtlijn Gebitsslijtage

KIMO

Sinds juni 2025 is de klinische praktijkrichtlijn 'Gebitsslijtage van blijvende elementen' onderdeel van de professionele standaard. Het doel: de zorg rond gebitsslijtage verbeteren, over- én onderdiagnostiek beperken, klachten verminderen en restauratieve behandeling zoveel mogelijk voorkómen of uitstellen.

De richtlijn kiest het TWES 2.0 als voorkeurssysteem voor screening, diagnostiek en monitoring, en zet het begrip functiebedreigende gebitsslijtage centraal: restauratie pas wanneer slijtage met klachten of functieverlies gepaard gaat. Blootstelling aan zuur wordt gezien als de belangrijkste risicofactor, naast speeksel- en mechanische factoren.

De richtlijn richt zich op tandartsen, mondhygiënisten en orthodontisten — en daarmee indirect op iedereen met een blijvend gebit. Meer over KIMO →

Zie ook

Gerelateerde onderwerpen

⚠️ Disclaimer: Deze pagina is uitsluitend bedoeld voor educatieve doeleinden en vervangt geen professioneel tandheelkundig advies, diagnose of behandeling. Merk je gevoeligheid, kortere of verkleurende tanden? Raadpleeg een gediplomeerde tandarts of mondhygiënist.