Hoe werkt het?
De zenuw tijdelijk "op stil"
Een lokaal anestheticum blokkeert tijdelijk de natriumkanalen in de zenuw. Daardoor kan de zenuw geen pijnprikkel meer doorgeven aan de hersenen: het gebied wordt gevoelloos, zonder dat je buiten bewustzijn raakt. Zodra het middel is uitgewerkt, herstelt de zenuwfunctie zich volledig.
De moderne middelen zijn amide-anesthetica, die betrouwbaar en relatief veilig zijn. Vaak wordt er een klein beetje adrenaline (een vaatvernauwer) aan toegevoegd; dat laat de verdoving langer en dieper werken en beperkt de bloeding. Hoeveel en welk middel de tandarts kiest, hangt af van de ingreep, de plek in de mond en de gezondheid van de patiënt.
De middelen
Welke verdovingsmiddelen zijn er?
In de Nederlandse tandheelkunde worden vooral de volgende amide-anesthetica gebruikt. Ze verschillen in werkzame stof, of er adrenaline in zit, en in werkingsduur. De merknamen tussen haakjes zijn de bekende handelspreparaten.
| Werkzame stof | Merk (voorbeeld) | Vaatvernauwer | Kenmerk |
|---|---|---|---|
| Articaïne 4% Ultracaïne D-S |
Ultracaïne D-S | Adrenaline 1:200.000 | Snelle intreding, krachtig; de "standaard"-variant. |
| Articaïne 4% Ultracaïne D-S forte |
Ultracaïne D-S forte | Adrenaline 1:100.000 | "Forte" = méér adrenaline (niet meer articaïne): langer/dieper effect, minder bloeding. |
| Lidocaïne 2% Xylocaïne |
Xylocaïne | Meestal met adrenaline | Het klassieke, lang beproefde middel; referentie waarmee andere worden vergeleken. |
| Prilocaïne Citanest |
Citanest | Vaak zónder adrenaline | Optie als adrenaline onwenselijk is (bijv. bepaalde hartpatiënten). |
| Mepivacaïne Scandonest |
Scandonest | 3% zónder / 2% met adrenaline | De 3%-variant zonder vaatvernauwer voor kortere ingrepen of wanneer adrenaline vermeden wordt. |
De middelen worden geleverd in kant-en-klare carpules (ampullen): articaïnepreparaten doorgaans in 1,7 ml, lidocaïne, prilocaïne en mepivacaïne in 1,8 ml. Ze zijn uitsluitend voor professioneel gebruik door tandartsen en artsen.
De rol van adrenaline
Waarom vaak een vaatvernauwer?
Mét adrenaline
De adrenaline vernauwt de bloedvaten rond de injectieplaats. Daardoor blijft het middel langer op zijn plek: de verdoving werkt dieper en langer, en er is minder bloeding tijdens de behandeling. Vandaar dat de meeste preparaten een kleine hoeveelheid bevatten (1:100.000 of 1:200.000).
Zónder adrenaline
Soms is een middel zónder vaatvernauwer wenselijk — bijvoorbeeld bij bepaalde hart- en vaatpatiënten of voor een korte ingreep. Het effect is dan doorgaans korter. De tandarts kiest op basis van de gezondheid en de ingreep; bij twijfel wordt overlegd met (huis)arts of specialist.
Meld je tandarts altijd je gezondheid en medicijnen — vooral hart- en vaatziekten, schildklierproblemen, zwangerschap, of een bekende allergie (zoals voor het hulpstofje metabisulfiet). Zo kiest de tandarts het veiligste middel voor jou.
De technieken
Drie hoofdmanieren van verdoven
Náást het middel telt de techniek: waar en hoe de verdoving wordt ingebracht bepaalt welk gebied gevoelloos wordt. Grofweg zijn er drie hoofdvormen, plus enkele aanvullende technieken.
Oppervlakteanesthesie
SlijmvliesEen gel of spray die het slijmvlies aan de oppervlakte verdooft, meestal vóór de prik, zodat het inbrengen van de naald zelf nauwelijks voelbaar is. Verdooft niet de tand zelf.
Infiltratieanesthesie
Losse tand / klein gebiedEen klein depot vlak bij de wortelpunt, dat door het bot naar de tand diffundeert. Vooral geschikt in de bovenkaak, waar het bot dun genoeg is. In de onderkaak is het bot bij de kiezen te dicht, waardoor infiltratie daar vaak niet volstaat.
Geleidingsanesthesie (blok)
Hele zenuwtakDe verdoving wordt bij een zenuwstam gelegd, waardoor met één injectie meerdere tanden én het omliggende weefsel gevoelloos worden. Onmisbaar in de onderkaak. Het bekendste voorbeeld is het mandibulair blok (zie hieronder).
Aanvullende technieken. Er bestaan ook gerichte varianten voor één tand of lastige situaties: intraligamentair (in de smalle ruimte tussen wortel en kaakbot, onder hoge druk), intraossaal (in het bot zelf) en intraseptaal. Deze worden vaak ingezet als aanvulling of als een blok onvoldoende werkt.
Uitgelicht
Het mandibulair blok & het mentaal blok
Twee geleidingstechnieken in de onderkaak springen eruit. Ze richten zich op verschillende takken van de onderkaakzenuw en verdoven daardoor een ander gebied.
Mandibulair blok
n. alveolaris inferior (+ vaak n. lingualis)
De verdoving wordt bij de onderkaakzenuw gelegd, vóórdat die het kaakbot in gaat. Daarmee worden in één keer alle onderkiezen en -tanden van die kaakhelft verdoofd, plus (bij meeverdoven van de n. lingualis) de tong. Het herkenbare bijeffect: een gevoelloze onderlip en tong.
Mentaal blok
n. mentalis (bij het foramen mentale)
Gericht op de n. mentalis, waar die het kaakbot verlaat (rond de premolaren). Dit verdooft de onderlip, kin en het vestibulaire tandvlees aan die zijde — maar níét de gebitselementen zelf. Handig voor ingrepen aan lip, kin of weke delen in dat gebied.
Er bestaan meer geleidingstechnieken, zoals blokkade van de n. maxillaris of n. infraorbitalis in de bovenkaak, de n. nasopalatinus (voortandengebied gehemelte), en de Gow-Gates-methode als alternatief mandibulair blok. Welke wordt gekozen, hangt af van het te verdoven gebied.
In de praktijk
Hoe verloopt het verdoven?
Aandachtspunten
Bijwerkingen & veiligheid
Lokale anesthesie is veilig en wordt zeer veel toegepast. Toch zijn er aandachtspunten die je goed mag kennen:
Verdoofd gevoel
Lip, tong of wang blijven nog even gevoelloos. Pas op met bijten, hete dranken en (bij kinderen) op de lip kauwen.
Kort hartkloppingen
Door de adrenaline kun je heel even je hart voelen bonzen. Meestal onschuldig en snel voorbij.
Napijn op prikplek
De injectieplek kan wat gevoelig zijn; dat verdwijnt doorgaans vanzelf.
Paresthesie (zeldzaam)
Een tintelend of doof gevoel dat langer aanhoudt. Zeldzaam en meestal van voorbijgaande aard.
Allergie (zeer zeldzaam)
Echte allergie voor amide-anesthetica is zeldzaam; vaker speelt een reactie op een hulpstof. Meld bekende allergieën.
Falend blok
Vooral in de onderkaak zit een blok soms niet meteen goed (anatomie of ontsteking). Dan volgt bijverdoven of een andere techniek.
Eten na de verdoving? Wacht tot het gevoel terug is. Zolang lip, wang en tong verdoofd zijn, is de kans groot dat je je onbedoeld bijt of je aan iets heets brandt zonder het te merken — bij kinderen is dit een bekend aandachtspunt.
Onderbouwing
Richtlijnen & veilig gebruik
Voor lokale anesthesie in de mondzorg bestaat een NVMKA-leidraad Lokale Anesthesie (Nederlandse Vereniging voor Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie), die de middelen, maximale doseringen (afgestemd op lichaamsgewicht) en veiligheidsaspecten beschrijft. Daarnaast geeft de KNMT voorlichting over de technieken en het gebruik in de algemene praktijk.
De kern van veilig verdoven: de laagste effectieve dosis, een middel- en techniekkeuze afgestemd op de patiënt (met extra aandacht voor hart- en vaatpatiënten, kinderen en zwangeren), zorgvuldige techniek met aspiratie, en alertheid op complicaties. Verdoving is uitsluitend voorbehouden aan tandartsen en artsen.
De rode draad: pijnvrij behandelen met zo min mogelijk middel, veilig afgestemd op de patiënt. Meer over KIMO →
Zie ook
Verwante onderwerpen
- Angst voor de tandarts — pijnloos en voorspelbaar verdoven helpt angst te verminderen.
- Kindertandheelkunde — bij kinderen wordt verdoving soms juist vermeden (Hall-techniek).
- Pulpitis — een ontstoken, "hete" tand kan lastiger te verdoven zijn.
- Tandartsopleiding — waar tandartsen anatomie en anesthesietechniek leren.