Van A tot Z
Alle woorden
A
- Aanhechtingsverlies
- Het losraken van tandvlees en vezels van de tandwortel, bij parodontitis.
- Abces
- Een ophoping van pus, meestal door een ontstoken tand.
- Aften
- Kleine, pijnlijke zweertjes op het mondslijmvlies die vanzelf genezen.
- Apex
- De punt van de tandwortel.
- Attritie
- Slijtage door tanden die tegen elkaar wrijven, bijvoorbeeld bij knarsen.
B
- Bitewing
- Een kleine röntgenfoto van de kiezen, vooral om gaatjes tussen de tanden te zien.
- Bruxisme
- Tandenknarsen of klemmen, in de slaap of overdag.
C
- Cariës
- Tandbederf: gaatjes door zuren van bacteriën in de tandplak.
- CBCT
- Een 3D-röntgenopname van kaak en tanden.
- Cement (wortelcement)
- Het dunne, botachtige laagje dat de tandwortel bedekt.
- Composiet
- Witte vulmateriaal van kunsthars, dat aan de tand wordt vastgeplakt.
D
- Dentine (tandbeen)
- De laag onder het glazuur. Zachter en geler dan glazuur.
E
- Erosie
- Het oplossen van glazuur door zuur, zonder bacteriën.
- Extractie
- Het trekken van een tand of kies.
F
- Facing
- Een dun schildje op de voorkant van een tand, voor vorm of kleur.
- Fistel
- Een kanaaltje waardoor pus naar buiten loopt, vaak een puistje op het tandvlees.
- Fluoride
- Een stof die het glazuur sterker maakt en beschermt tegen gaatjes.
G
- Gingivitis
- Ontsteking van het tandvlees, zonder verlies van bot. Gaat over met goed poetsen.
- Glazuur
- De harde buitenlaag van de tandkroon.
H
- Hyposalivatie
- Een meetbaar tekort aan speeksel.
I
- Implantaat
- Een kunstwortel van titanium of keramiek die in het kaakbot vastgroeit.
- Interdentaal
- Tussen de tanden. Interdentaal reinigen is schoonmaken tussen de tanden.
K
- Kroon
- Het deel van de tand boven het tandvlees. Ook: een kunstkroon die over een beschadigde tand wordt geplaatst.
L
- Leukoplakie
- Een witte plek op het slijmvlies die niet weg te vegen is en die je laat controleren.
- Lokale anesthesie
- Plaatselijke verdoving.
M
- MKA-chirurg
- Kaakchirurg: specialist in mond-, kaak- en aangezichtschirurgie.
- Mucositis
- Ontsteking van het slijmvlies, bijvoorbeeld rond een implantaat of door kankerbehandeling.
O
- Orthodontist
- Tandarts-specialist voor beugels en de stand van tanden en kaken.
P
- Parodontitis
- Ontsteking van tandvlees en kaakbot rond de tanden, waarbij bot verloren gaat.
- Parodontium
- Alles wat de tand vasthoudt: tandvlees, wortelvlies, wortelcement en kaakbot.
- Periodiek mondonderzoek (PMO)
- De gewone controle bij de tandarts.
- Een verdiepte ruimte tussen tand en tandvlees, een teken van parodontitis.
- PPS
- Periodiek Parodontaal Screenen: de meting van je tandvlees met een score van 1 tot 3.
- Prothese
- Een uitneembaar kunstgebit.
- Pulpa
- Het zachte binnenste van de tand, met zenuwen en bloedvaten. Meestal "de zenuw" genoemd.
- Pulpitis
- Ontsteking van de tandzenuw.
R
- Rager
- Een klein borsteltje om tussen de tanden schoon te maken.
- Recessie
- Terugtrekkend tandvlees, waardoor de tandhals of wortel bloot komt.
- Restauratie
- Het herstellen van een tand, bijvoorbeeld met een vulling of kroon.
- Röntgenfoto
- Een foto met röntgenstraling die laat zien wat met het oog niet te zien is.
S
- Sealen (fissuurlak)
- Een dun lakje in de groeven van de kiezen.
- Spruw (candidiasis)
- Een schimmelinfectie in de mond.
T
- Tandplak
- Een plakkerig laagje bacteriën op de tanden, ook plaque genoemd.
- Tandsteen
- Verharde tandplak die je niet meer weg kunt poetsen.
- TMD
- Klachten van het kaakgewricht en de kauwspieren.
- TWES
- Tooth Wear Evaluation System: een manier om gebitsslijtage te meten, van 0 tot 4.
V
- Vitaal
- Levend. Een vitale tand heeft een levende zenuw; een avitale tand niet.
W
- Wortelkanaalbehandeling
- Een behandeling waarbij de ontstoken of dode zenuw uit de tand wordt gehaald en de kanalen worden gevuld.
- Wortelvlies (parodontaal ligament)
- De vezels tussen de wortel en het kaakbot die de tand vasthouden.
X
- Xerostomie
- Het gevoel van een droge mond.