Kaakbot & MKA-chirurgie

Bloedverdunners & ingrepen

Gebruik je een bloedverdunner en moet er een tand getrokken worden? In de meeste gevallen hoef je niet te stoppen. Stoppen verhoogt de kans op trombose elders in het lichaam, terwijl een bloeding in de mond meestal goed te stelpen is.

DoorgaanMeestal níet stoppen
HechtenWond wordt altijd gehecht
Geen NSAIDGeen ibuprofen of naproxen

Waar gaat het over

Bloedverdunners en een ingreep in de mond

Veel mensen gebruiken een bloedverdunner (in vaktaal: antitrombotica) om een trombose, hartinfarct of beroerte te voorkomen. Bij een behandeling waarbij het bloedt — een tand of kies trekken, een tandvleesbehandeling of het plaatsen van een implantaat — rijst dan de vraag: moet ik stoppen met mijn medicijn? Het antwoord is in de meeste gevallen nee.

Stoppen verlaagt weliswaar de kans op een nabloeding in de mond, maar verhoogt de kans op een stolsel ergens anders in het lichaam. Een bloeding in de mond is meestal goed te stelpen; een herseninfarct niet. Daarom is doorgaan met de bloedverdunner vaak de veiligste keuze.

De middelen

Drie groepen bloedverdunners

Plaatjesremmers — zoals acetylsalicylzuur of clopidogrel. Ze remmen het samenklonteren van bloedplaatjes.

Vitamine K-antagonisten — zoals acenocoumarol of fenprocoumon, vaak met controle door de trombosedienst via de INR-waarde.

DOAC's — nieuwere middelen zoals apixaban, rivaroxaban, dabigatran of edoxaban, zonder vaste bloedcontroles.

Stop nooit zelf met een bloedverdunner. Of tijdelijk stoppen nodig is, beslist je tandarts samen met de voorschrijver of de trombosedienst. Wordt er toch gestopt, dan hoor je ook wanneer je weer moet beginnen.

Vooraf

Wat de tandarts vooraf nagaat

Je medicijnen

Welk middel, welke dosis, en of je meerdere bloedverdunners combineert. Bij combinaties wordt vaak overlegd met de trombosedienst of voorschrijver.

De INR-waarde

Bij een vitamine K-antagonist is de actuele INR belangrijk. Is die te hoog, dan overlegt de tandarts eerst met de trombosedienst.

De ingreep zelf

Een grote of ontstoken wond, of een wond die niet goed te sluiten is, verhoogt het risico. Dan kan de behandeling in delen gebeuren of in overleg met de MKA-chirurg.

Tijdens en na de ingreep

Zo wordt een nabloeding voorkomen

HechtenNa de ingreep wordt de wond gehecht. De richtlijn adviseert dat in alle gevallen.
TranexaminezuurVaak krijg je een spoelmiddel met tranexaminezuur, of bijt je op een gaasje dat ermee is gedrenkt. Dit helpt het stolsel stevig te houden. Wie alleen één plaatjesremmer gebruikt, heeft dit meestal niet nodig.
Niet naspoelenSpoel tijdens het gebruik van tranexaminezuur niet met water of andere middelen: dan kan het stolsel wegspoelen.
PijnstillingGebruik geen ibuprofen, diclofenac of naproxen: die verhogen het bloedingsrisico. Ze zitten in veel vrij verkrijgbare pijnstillers, dus lees de verpakking. Overleg met je tandarts welke pijnstiller wel geschikt is.

De eerste uren en dagen wat sijpelen en de eerste dag licht roze speeksel is normaal. Blijft de wond bloeden, neem dan contact op met je tandarts of de dienstdoende tandarts — ook buiten kantooruren.

Onderbouwing

De KIMO-richtlijn Antitrombotica

KIMO

De klinische praktijkrichtlijn 'Bloedige ingrepen in de mondzorg bij patiënten die antitrombotica gebruiken' verscheen in 2019. In 2025 heeft het KIMO de geldigheid met vijf jaar verlengd (versie 2025, met één aanpassing in het stroomschema). Een nieuwe beoordeling volgt vanaf 2030.

De kern: bloedverdunners in de regel niet stoppen, de wond altijd hechten, lokaal tranexaminezuur gebruiken, en bij twijfel of combinaties overleggen met de trombosedienst of voorschrijver. Meer over extracties →

Zie ook

Verwante onderwerpen

Let op: Deze pagina is uitsluitend bedoeld voor educatieve doeleinden en vervangt geen persoonlijk advies. Stop nooit op eigen houtje met een bloedverdunner; bespreek een geplande ingreep altijd met je tandarts, en bij twijfel met de voorschrijver of trombosedienst.
Gebaseerd op de KIMO-richtlijn Antitrombotica (2025; oorspronkelijk 2019, geldigheid verlengd) en de bijbehorende patiënteninformatie.